Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en er zijn gemak van te nemen, vooral toen men aan de grens van Sjinté's gebied was gekomen. Hij liet daar een platboomd vaartuig achter dat, naar hij zeide, later door den hoofdman van het dorp zou worden nagezonden: dit zou vooral op den terugtocht een onberekenbaar verlies blijken. Toen men na verloop van een jaar terugkeerde, had een muis er een gat in gevreten en was het vaartuig dus niet te gebruiken. De tocht ging nu verder over land langs een drassigen en doorweekten bodem en onder veel regen, zoodat men haast geen vuren kon aanmaken om eten te koken of zich de kleeren te drogen. De Makolólo hielden zich ferm, wat van den aartslieger Intemése en zijn diefachtige makkers niet gezegd kon worden. Het overtrekken van kleine rivieren had vele bezwaren in, vooral wat de ossen betreft, die op som mige plaatsen slechts met den kop boven water den doortocht konden maken. Tegen den blanken reiziger hadden de hoofden der dorpen gemeenlijk niets, doch des te meer tegen de Makolólo, die zij als een woest volk beschouwden en waarvoor zij bang waren. Men maakte Sjinté er een grief van dat hij deze Makolólo door zijn land had laten trekken, zoodat zij zoodoende van de ligging hunner dorpen en steden op de hoogte zouden komen. De zendeling zocht zooveel mogelijk aanraking te verkrijgen met de hoofden en dorpelingen en vertelt, hoe moeilijk het is over godsdienstige onderwerpen te spreken met menschen die nooit iets van het Christendom gehoord hebben.

Sluiten