Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij, in geval van ziekte en anderszins, voor het reisgezelschap had. Van Dr. Moffat vernam men dat de Makolólo, te Tette achtergebleven, niet naar huis terug waren gegaan en nog steeds in de hoop leefden dat hun „vader" wel spoedig weerom zou komen. In Kaapstad werd Livingstone thans met veel eer ontvangen; hij kreeg zelfs een zilveren doos met 800 guinjes ten geschenke, door den Gouverneur in een openbare vergadering aangeboden, enz. De tegenstelling tusschen de ontvangst in Kaapstad in 1852 en die, welke hij thans, zes jaar later, genoot, moet den reiziger-zendeling, vatbaar voor humor als hij was, bepaald vermaakt hebben. In 1852 vertrouwde men hem zóó weinig, dat hij ternauwernood een pond buskruit of een doos percussiedopjes kon los krijgen, toen hij zich tot een tocht gereed maakte dien niemand ooit te voren gedaan had. Bovendien had hij toen eerst nog een groote geldboete te betalen, om uit de handen te blijven van een kwaadaardigen postdirecteur op het land; hij had dezen nl. beschuldigd van te veel aan brievenvracht te hebben afgehouden en werd ten gevolge daarvan door hem bedreigd met een aanklacht wegens eereroof. Hoewel Livingstone in zijn recht was, was hij wel gedwongen te betalen, daar de tijd van een proces-verloop hem te lang zou hebben opgehouden. Maar nü keerde hij uit Engeland terug met een pet met gouden band op en met een versiering om zijn naam, van hooger beteekenis dan vorsten die geven kunnen. En thans haastte zich dan ook geheel Kaapstad om hem te

Sluiten