Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Kaap, Zanzibar en Bombay in het leven worden geroepen", was zijn verzuchting aan Sir Thomas Maclear. „Deze zou — zoo schreef hij — niet alleen voordeelig zijn en veel goed doen, maar ook den handel in slaven afbrokkelen." Eindelijk kwam de „Fenguin", en nóg eens — doch nu voor het laatst — wendde Livingstone zich naar het donkere vasteland van Afrika. Voorzien van een firman of aanbeveling van den Sultan van Zanzibar aan al zijn onderdanen, de Arabieren, die hem later in moeilijke omstandigheden van veel dienst zou zijn, verliet hij den 19™ Maart Zanzibar in de „Penguin", met 13 sepoy's, 10 mannen van het eiland Johanna, 9 jonge lieden uit het Indische Nassick, 2 mannen uit Sjoepanga en 2 uit den stam der W a ij a u, een der ons reeds bekende Ajawa-stammen. Moesa, een der Johanna-mannen, was matroos geweest op de „Lady Nyassa", Soesi en Amóda, uit Sjoepanga waar Mevr. Livingstone gestorven was, waren houthakkers geweest voor den „Pioneer", en de twee jongens Wikatani en Sjoema hadden tot de slaven behoord, die in 1861 bevrijd waren en die daarop een poos op den zendingspost te Sjibisa-dorp geleefd hadden. Ook werden er, behalve de pakgoederen, zes kameelen, drie buffels en een buffelkalf, twee muilezels, vier ezels en verder een poedelhond, Sjitane genoemd, medegenomen. Deze dieren moesten dienen om te zien of zij bestand waren tegen den beet van den t s e t s e-vlieg. Negen buffels had Livingstone reeds te Zanzibar verloren en de drie overgeblevene hadden zooveel te lijden van de slechte

David Livingstone 19

Sluiten