Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weer had hij het in een brief aan zijn zoon Tom, dagteekenend 1 Februari 1867, over den vreeselijken honger dien zij te lijden hadden, en schreef hij hem dat hij nü al zéér smalletjes was geworden, niet veel meer dan vel en been, ofschoon hij vroeger toch reeds nooit van de diksten was geweest. Jammer was het, dat de arme poedel, aller lieveling en een zeer verstandig dier, bij den overtocht van een gezwollen riviertje verdronk. Het jaar 1867 zou zich door een zeer, groote ramp en door twee aardrijkskundige ontdekkingen kenmerken. De ramp bestond in het verlies van zijn medicijnkist, die met andere dingen gestolen werd door een gehuurden inlandschen drager, aan wien zij door iemand, die de opdracht had hem nooit af te geven, roekeloos was toevertrouwd voor een lichtere vracht. „Ik had een gevoel — zegt Livingstone — alsof ik thans de uitspraak van mijn doodvonnis ontvangen had, evenals de arme Bisschop Mackenzie." Met deze medicijnkist gingen de middelen verloren, die sinds lang zoo afdoende tegen de koorts bleken te zijn geweest en die door hem waren uitgevonden. Hoe men ook zocht, nóch de kist, nóch de persoon die haar gestolen had, konden gevonden worden. Kort daarop verkeert Livingstone dan ook reeds in een staat van beseflfeloosheid door de koorts, pogend van den grond op te staan, terugvallend door het gewicht van zijn eigen lichaam, zich het hoofd stootend tegen een kist. Het verlies van de medicijnen was wel waarschijnlijk het begin van het einde: zijn gestel verloor die wondere kracht om altijd spoedig

Sluiten