Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorbijgegaan sinds hij iets van de zijnen had vernomen. Alleen had hij in Oejiji eenige brieven van anderen gevonden, meer dan drie jaren oud. De klank van zijn moedertaal kwam slechts tot hem in de geradbraakte woorden van Sjoema of Soesi of van zijn andere begeleiders, ot in de klanken van zijn eigen stem als hij die uitte in het gebed, of in den een of anderen uitroep of kreet, uit heimwee en verlangen naar de zijnen niet meer binnen te houden. Nóch vrouw, nóch kind, nóch broeder hadden hem in langdurige pijnlijke ziekten verkwikt met hun medelijden of uit zijn dofheid opgewekt door een lach. Het is niet te beschrijven, zooals hij bedrogen en tergend verhinderd werd in zijn pogingen om het kleine stukje onderzoekingstocht af te maken, dat nog noodig was om zijn taak te voleindigen. Zijn ziel werd gekweld door de verdorvenheid zijner omgeving, waarin de mensch voor den mensch in plaats van een broeder te wezen, slechter was dan tijgers en wolven het voor elkander zijn. In het leven dat achter hem lag had hij zijn zaad gezaaid, weenende, doch zóó ver was hij er van af dat hij zijn schoven juichende binnen zou brengen, dat hoe langer hij leefde hoe meer aanleiding er scheen te komen tot tranen. Hij had nog niet de minste vrucht op al zijn arbeid gezien. Hij had het zuidelijk deel van Midden-Afrika geopend. Maar scheen het niet alsof hij het geopend had voor brutale slavenhaalders? En in het eenige geval dat het toch zóóver gekomen was, dat er „voeten van menschen" kwamen „liefelijk op de bergen om vrede te verkondigen", was ramp op ramp gevolgd en een onge-

Sluiten