Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stone had den volgenden morgen — het was nu 30 April — niet de kracht meer om het dorpshoofd Sjitambo te ontvangen; hij liet dezen verzoeken den daarop volgenden dag terug te komen, 's Middags vroeg hij aan Soesi, hem zijn horloge bij zijn bed te brengen en hij wees dezen toen, hoe hij het in de hand moest houden om het met het sleuteltje op te winden. Zóó verliepen de uren vrij rustig tot den avond. De mannen gingen zwijgend naar hun hutten, terwijl degenen die waken moesten, om het vuur zaten, allen gevoelende dat het einde niet ver meer af kon zijn. Om elf uur ongeveer ging Soesi, wiens hut vlak bij was, eens naar zijn meester zien. In de verte hoorde men geschreeuw. De dokter vroeg, toen hij binnen kwam: „Maken ónze mannen dat lawaai?" Soesi zeide van neen, doch dat het vermoedelijk dorpelingen waren die een buffel uit hun korenvelden verjoegen. Een paar minuten later

zeide hij, langzaam sprekend en blijkbaar ijlend: „Is

dit de Loe a....la....ba?" Soesi zeide

hem dat zij in Sjitambo's dorp waren, dicht bij de M o 1 i 1 a m a. Daarop was hij een poosje stil. Toen sprak hij, dezen keer in het Soeahélisch dialect: „Hoeveel

dagen is het nog tot aan de Loea

poe la?" „Ik denk van drie dagen, meester," antwoordde Soesi in dezelfde taal. Een paar seconden later slaakte hij, als in groote pijn, een „ach, ach!" en viel toen weer in zwijm. Het was ongeveer een uur daarna dat Soesi, die even was weggegaan, door Maiwara van buiten terug werd geroepen: „De meester heeft u noodig, Soesi 1" Toen hij bij het bed kwam, zeide de

Sluiten