Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgericht. Deze Nienwenhuizen was te Haarlem geboren. Zonder eigenlijk een geleerde opleiding genoten te hebben, was hq predikant geworden, eerst in zijn geboortestad, later te Middel harnis, Aardenburg en Monnikendam, in welke laatste stad luj tot zijn dood toe bleef Het ontwerp der bovengenoemde maatschappij stelde hij \as in overleg met zijnen zoon Martinus Nienwenhuizen, geneesheer te Edam en met de leden van een te Monnikendam bestaanden vriendenkring; J. A. Hoekstra, eveneens Doopsgezind predikant, J. Koos,

H. Bakker en J. L. Loggen, Luthersch predikant, die dus met Nieuwenhuizen en diens zoon als oprichters en eerste leden dier maatschappij moeten worden aangemerkt. In bovengenoemden vriendenkring was men gewoon, onderwerpen uit den natuurlijken godsdienst te behandelen. Dit gevoegd bij de omstandigheid dat de eerste oprichters tot verschillende Christelijke gezindheden behoorden, als Doopsgezinden, Remonstranten, weldra ook Lutherschen, Gereformeerden en Roomschen, maakt het verklaarbaar, dat de maatschappij, ook in overeenstemming met de toongevende school verbeteraars hier te lande, zich grondde op algemeene Christelijke waarheden en \an

positieve leerstellingen niet wilde weten.

Men heeft de maatschappij tot Nut van 't Algemeen vergeleken met de Broederschap des gemeen vu lerens, door Geert Groote gestic 1 . Wat den godsdienstigen geest betreft, gaat de vergelijking mi op, wel wat aangaat den verbazenden invloed, dien zij heeft uitgeoefend en het vele, dat zij heeft tot stand gebracht. Aanvankelijk echtei werkte de maatschappij nog in Christelijken zin. De grondstellingen van Ronsseau en Locke evenwel, die zij aanvaard had, begonnen langzamerhand uit te zuiveren, wat zij nog van het beslist gedienstige had overgehouden. Op den duur werd de geest «les tijds haar te machtig en zoo drongen begrippen van Basedow, ampe enz. allengs meer bij haar in. Zij wilde het allen goed maken en de wijze, waarin zij het beginsel van onpartijdigheid toepaste, moest noodzakelijk leiden tot onverschilligheid omtrent den godsdienst 111 betrekking tot het onderwijs. Aan de stoffelijke belangen kende zij langzamerhand een hoogere plaats toe in de opvoeding dan aan de

eeuwige en geestelijke behoeften. . ..

De maatschappij poogde terstond practisch nut te verspreiden. Aij richtte Departementsscholen op, waarin onderwijs werd gege\en naar een verbeterde leermethode en die als modelscholen moesten dienen.

Sluiten