Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen door de wet geregeld". Ware deze verandering aangenomen, de wetgever zou dan door niets gebonden geweest zijn, de vrijheid van onderwijs, zooal niet als een recht, dan toch te beschouwen als een noodzakelijk gevolg van de gewaarborgde vrijheid van godsdienst, en te doen,. wat hij in verband met deze noodig en nuttig oordeelde. Ook zou de regeling bij de wet een gegrond uitzicht op die wijzigingen van het bestaande gegeven hebben, die de omstandigheden des tijds zoo dringend vorderden. Ongelukkig echter werd het ontwerp zoo goed als zonder beraadslagingen ter zijde gelegd, zoodat de zaken van onderwijs en schoolwezen bij het oude bleven.

Het merkwaardige jaar 1848 zou evenwel verandering brengen. Den 11 April 1848 was de Staats-Commissie, door den Koning bij Besluit van 17 Maart 1848 benoemd tot het samenstellen van een volledig ontwerp van grondwetsherziening, met haar arbeid gereed. Art. 183 van haar ontwerp, betrekking hebbende op het onderwijs luidde:

»De inrichting van het publiek onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen door de wet geregeld.

»Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid des onderwijzers en het toezicht der Overheid, beide door de wet te regelen.

»De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag."

De voorstanders van het Christelijk onderwijs juichten dit art. toe> De tegenstanders er van echter wisten haast geene woorden te vinden, krachtig genoeg om hunne verontwaardiging er over uit te drukken. Ook in de oogen der regeering kon het artikel geene genade vinden. De voorzitter van het ministerie, graaf Schimmelpenninck, en de minister van Oorlog, Nepveu, vroegen hun ontslag. Yan weerszijden zond men verzoekschriften bij den Koning in. Op voorstel van den lieer Elout van Soeterwoude ontwierpen en verzonden de Christelijke Vrienden een adres aan den Koning, waarin ze verzochten, om de onveranderlijke aanneming van het voorgestelde art. 183. Werd het aangenomen, zoo zeiden zij, dan zouden al hunne bezwaren weggenomen zijn; met minder konden zij evenwel niet tevreden wezen.

Onder voorzitting van Mr. Dirk Donker Cnrtius was een nieuw

Sluiten