Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■en Heidenen op Java open te stellen, de bepaling uit haar reglement gelicht had, dat alleen zij, die tot eenig Christelijk kerkgenootschap behooren, als lid konden worden aangenomen, wenschte de aanneming van het ontwerp.

Minister Van Reenen beweerde, dat het overeenkomstig de grondwet was, wanneer al wat naar Christelijke opvoeding zweemde, uit ■de volksschool gebannen werd. Groen voerde hiertegen aan, dat in de grondwet, bij artt. 165 en 1G6, het practicaal atheïsme van den alvermot/enden Staat, waarmee men in 1795 zoo gedweept had, niet was opgenomen. De minister bleef evenwel bij zijne meening, dat het, met de grondwet in de hand, niet mogelijk was. op de openbare school een bepaalde Christelijke opleiding te geven. Hierdoor viel hij in ongenade bij de Groote Protestantsche partij, die bij monde van den heer De Brauw, een harer meest invloedrijke leden, krachtig en bij herhaling protesteerde tegen het zeggen van Van Reenen, dat de Nederlandsche natie staatsrechtelijk geen Christelijke natie was en dat in Nederland Christelijke opvoeding in de school eene onmogelijkheid zou zijn. Het gevolg er van was, dat het ontwerp de goedkeuring van de meerderheid der Tweede Kamer niet kon wegdragen. Daarom diende minister Van Reenen den 30 Dec. 1855 een gewijzigd ontwerp van wet in, waaruit de facultatieve splitsing was vervallen. Art. 15 schreef voor, dat in elke gemeente lager onderwijs moest worden gegeven, «toegankelijk voor kinderen van verschillende godsdienstige gezindheden". Art. 21 : »Het onderwijs wordt dienstbaar gemaakt aan de bevordering van godsdienst en zedelijkheid. De onderwijzers onthouden zich van iets te onderwijzen, te doen of toe te laten, kwetsend voor de godsdienstige l>egrippen der gezindheid of gezindheden, waartoe de schoolgaande kinderen behooren. Het geven van onderwijs in den godsdienst wordt overgelaten aan de kerkgenootschappen. Hiertoe zijn de schoollokalen buiten de schooluren voor de leerlingen beschikbaar." Men ziet hieruit, dat in dit gewijzigd ontwerp het Christelijk karakter der wet van 1806 geheel was ter zijde gesteld.

In September 1855 was Groen door de verkiezing te 's Hage weder in de Kamer gebracht. Wetend, dat het nieuwe ontwerp in de Tweede Kamer rekenen kon op algemeenen bijval, achtte hij het noodzakelijk, dat de natie werd voorgelicht, vooral door de predikanten. Reeds in Juni had hij dezen geschreven: »Voorgangers, wier

8

Sluiten