Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel herhaaldelijk autorisatie te verkenen. Men wendde zich nu tok den minister. Deze antwoordde, dat de regeering geen macht bezatr om plaatselijke en provinciale autoriteiten in dit opzicht tot een andere beschikking te dwingen. Hierover waren de vrienden van het Christelijk onderwijs verbaasd. Immers had V. d. Brugghen in 1854 een dergelijk antwoord van den minister Yan Reenen als strijdig met den plicht der regeering en het recht der ingezetenen gekeurd. Groen wees hem op deze tegenstrijdigheid, zonder echter Y. d. Brugghen tot andere gedachten te kunnen brengen.

In het April- en Meinummer van het Maandschrift de Vereeniging verdedigde Ds. Heldring de wet van V. d. Brugghen. Hij trachtte de goê gemeente gerust te stellen op grond eener vrije werkzaamheid van den Christelijken factor. Hoewel hij bleef bij zijne overtuiging, dat sde gescheidene school de eenig denkbare Christelijke school is,"' beweerde hij toch : dZoo is dan eindelijk de voor onze natie eenig mogelijke schoolwet in het licht verschenen, zoover Christelijk als eene Christelijke natie van het jaar 1857 ze kan begeeren." In zijn derde vertoog bestreed Groen Ds. Heldring en zeide: »Het treft mij, omdat Ds. Heldring de eerste teekenaar is van het bekende adres der predikanten van 4 Febr. 185G, waarin de alarmkreet opging,, welke zooveel weerklank gehad heeft en die met eeu levendig gevoel der roeping van herders en leeraars in verband stond."

Toch waren er ook predikanten, die aan hunne roeping als leeraars en herders getrouw bleven. Zoo zonden Ds. Macpherson en 1034 ingezetenen uit zijne gemeente Katwijk aan Zee een verzoekschrift bij de Kamer tegen de wet in. Uit Bennekom kwam eene petitie bij de Kamer in, geteekend door den predikant en 168 hoofden van huisgezinnen, leden der Xed. Herv. Kerk. Da Costg kwam op tegen het misbruik, dat van het woord Christelijk werd gemaakt. Tevens zonden verzoekschriften in de onderwijzers Lemkes, Budding, M. D. van Otterloo, enz. Ook de heer Van Beeck Calkoen, wiens uitmuntend adres in 1856 zooveel weerklank vond, bleef niet achter.

In de zitting van Juli 1857 trachtte Y. d. Brugghen zich te verdedigen. Hij sprak twee hoofdstellingen uit, nl.: »«. De zaak van het Christendom, van het Evangelie, van het Koninkrijk Gods is niet de zaak van den Staat, b. De beste wet is die, welke in gegeven omstandigheden en naar den actueelen toestand van het volk liet best overeenkomt met dien toestand en met de wijs, waarop eea

Sluiten