is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzieners en plaatselijke schoolcommissie» werden aangesteld. Hierbij bleek het, dat de strekking der wet van 1800 toch nog uitnemender was dan die van 1857. Waren er in 1806 van de 58 benoemde schoolopzieners 38 predikanten, in 1857 kwamen voor de 92 districten slechts één theologisch hoogleeraar en twee predikanten in aanmerking. Uit teekende het Christelijk gehalte van beide wetten. De nieuwe wet onderscheidde zich bovendien van de oude, doordat zij bepalingen vaststelde omtrent de kweekelingen en hunne opleiding, het aantal leervakken vermeerderde en strenger toezicht op de schoolgebouwen voorschreef. Al deze voordeelen konden echter het nadeel niet vergoeden, dat de wet een Christendom wilde, 't welk niet alleen den R.-Katholieken geen aanstoot mocht geven, maar waaruit ook voor den Israëliet de ergernis des kruises was weggenomen.

Chantepie de la Saussaye noemde de wet van 1857 in een bijblad bij zijne Bijbelstudiën (2de deel 1861) «niet eerlijk, niet actueel, onmogelijk in de toepassing." Hij zei er van: «Vrucht der actualiteitspolitiek, gaat zij uit van eene beschouwing der natie, zooals zij niet is, eene philosophisch deïstische natie, niet eene natie, die in haar godsdienst van feiten uitgaat en haar geloof in bepaalde belijdenissen uitdrukt. De feiten van den pays lègal (van het kiezend personeel), niet de concrete toestand ligt haar ten grondslag." Hiertegen kwam zijn vriend V. d. Brugghen op. Hij schreef: »De wetgever van 1857 heeft zonder omwegen verklaard, dat het beginsel, de grondslag, waarvan de Christelijke deugdsbetrachting moet uitgaan, op de staatsschool niet gelegd, niet gekweekt kan worden: daar dit tot het huisgezin, tot de Kerk behoort. Er kan dus geen twijfel, geene onzekerheid bestaan omtrent het feit, dat godsdienstig onderwijs niet behoort tot het gebied van de staatsschool en dat de wet door opleiding tot Christelijke deugd geen godsdienstig onderwijs verstaan heeft. Ook de Bijbel of de Bijbelsche geschiedenis kan derhalve als middel van godsdienstig onderwijs op de staatsschool niet gebruikt worden." Chantepie de la Saussaye teekende op dit schrijven van V. d. Brugghen aan: «Ik heb in de wet nooit V. d. Brugghens denkbeeld, noch zijn geest teruggevonden. Ik heb de wet altijd beschouwd als een teeken, dat de bedoelingen van V. d. Br. in het ministerie door een anderen heerschend geworden invloed waren geneutraliseerd en zijne denkbeelden waren terzijde gesteld."

Wat echter de tegenstanders van de wet ook mochten zeggen, de