Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondwet aan velen werd onthouden, die meenden er recht op te hebben. Bij de verkiezingen in 1884 ging de juichkreet onder de Nederlandsche geloovigen op: »De Kamer is om!" Zoo was het. Door samenwerking hadden de anti-liberalen in de Tweede Kamer de meerderheid van ééne stem verkregen, die zij evenwel weder verloren, toen een der conservatieve afgevaardigden (Wintgens) voor zijn lidmaatschap bedankte en door een liberaal werd vervangen. Nu stond de Kamer op het doode punt, 43 tegen 43, een treurig verschijnsel, daar elke beslissing voortaan van het toeval afhing. Aan dien toestand kon een einde gemaakt worden door vermeerdering van het getal afgevaardigden, dat belangrijk geringer was, dan de grondwet voorschreef. Maar een voorstel, om dat getal op 96 te brengen, werd met 44 tegen 42 stemmen verworpen. In het begin van 1886 bereikten de ontwerpen tot grondwetsherziening de Tweede Kamer, doch met geringe kans op aanneming. Door de aaneengesloten en mannelijke houding der anti-revolutionnaire Kamerleden werd daarbij als eerste en onafwijsbare voorwaarde gesteld: verandering van art. 194, dat zoovele jaren dienst heeft moeten doen, om de Christelijke school te onderdrukken. Ook door de R.-Katholieke Kamerleden werd dit streven gesteund. Was de minister van Binnenlandsche Zaken oorspronkelijk van meening, het bewuste artikel onveranderd te laten, een beter inzicht bracht hem er evenwel later toe, om zelf het initiatief tot de wijziging te nemen. Hij bood het volgende voorstel aan :

»De inrichting van het openbaar onderwijs wordt door de wet geregeld. De openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid.

»In of voor elke gemeente wordt lager onderwijs gegeven, voldoende aan de behoefte der bevolking.

»Het wordt, voor zooveel daarin niet op andere wijze is voorzien, van overheidswege verstrekt in openbare scholen; aldaar wordt het aan onvermogenden kosteloos gegeven."

Het slot der laatste alinea onderging later eenige verandering en luidde toen: »het lager onderwijs wordt verstrekt,... voor onvermogenden kosteloos, voor anderen tegen betaling van een billijk schoolgeld."

Tevens werd de vrijheid van onderwijs uit het bestaande artikel overgenomen.

Deze nieuwe redactie van art. 194 was een verbeterde, doch verre

Sluiten