Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden, bleek rijk aan gevolgen te zijn. In de Amsterdamsehe Volksbode van 27 Mei 1896 werd daarover gezegd: «Treurig en verslagen zaten op den namiddag vau den 2 Juni 1887 eenige mannenbroeders bij het station te Amersfoort te praten over hetgeen de geleden nederlaag in het belang van het Chr. onderwijs vorderde. Verworpen was het voorstel Van Veen-Vos, daartoe strekkende, dat de lokalen, gewijd aan een door de Vereen, v. C. X. S. geldelijk ondersteund onderricht, op geenerlei wijze en door geen der partijen in den kerkelijken strijd gebruikt zouden mogen worden, behoudens verkregen rechten, die de eene of andere kerkelijke gemeente had op het gebruik en de bestemming dier gebouwen .... Bij de stemming was het verband der Vereen, v. C. X. S. tot de Xed. Herv. Kerk verloochend geworden ten gevolge van de uitgebrokene doleantie, hare groote macht gespeeld in de handen van wie er volstrekt niet in heerschen mogen."

Men was bevreesd, dat de Hervormden zich nu niet alleen aan de Vereen, v. C. X. Schoolonderwijs zouden onttrekken, maar zelfs aan geheel het Chr. onderwijs. Men wilde dit voorkomen. Zij, die uit het net zwommen, moesten in de fuik weer opgevangen worden. Men ging aan het werk en poogde tegenover de Vereen, v. O. X. S. een nieuwe vereenigiug op te richten.

Reeds enkele weken na de jaarverg. van Chr. Nat. 8. te Amersfoort had er te Utrecht eene vergadering plaats van ongeveer een vijftigtal belangstellenden in het Chr. onderwijs onder leiding van Dr. A. W. Bronsveld, en waar Dr. J. Th. de Visser zich met het secretariaat belastte. Deze bijeenkomst leidde echter niet tot eenig practisch resultaat. Drie jaren werden nu in besluiteloosheid doorgebracht, totdat men in den zomer van 1890 te Rotterdam den moed had, te breken met het »laisser aller" en, hoewel zich bewust van de vele en groote moeilijkheden, welke men tegemoet ging, eene poging te wagen, om bijeen te brengen wat bijeen hoorde en van de Chr. school zooveel mogelijk voor de Xed. Herv. Kerk te behouden.

De oprichting van den Schoolraad gaf vooral den stoot tot actief optreden. Men achtte den Schoolraad een geheel overbodige instelling, die geen ander doel kon hebben, dan alle organiseerende en besturende macht in één lichaam te concentreeren. Os. Malcomesius te Rotterdam, die sedert een aantal jaren met mond en pen voor de belangen van het Christelijk onderwijs gestreden had, zette de zaak

Sluiten