Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene stof uit dooréén gevlochten draden bestaande met eenen anderen draad. Aangewezen is dus het gebruik van ééne soort van draden: linnen op linnen, zijde op zijde. De versiering mag echter zeer wel en dit is ook inderdaad meest het geval, edeler en kostbaarder zijn dan de te versieren stof, bijv. zijde op linnen, wol op katoen, goud op fluweel. Is de stof grof en onoogelijk, dan wordt ook de achtergrond van het patroon met borduurwerk bedekt. Dergelijk werk komt tapijt- en weefwerk weder zeer nabij en is slechts een ander middel om eene bepaalde stof te verkrijgen. Maar het is toch altijd werk op eene bepaalde stof, eene stofversiering. Zulk invullen komt alleen voor op grof gaas of doek. Gewoonlijk echter neemt men gaas of stramien, omdat men voornemens is patroon en achtergrond beide te werken. Het komt zelden voor, dat men eene stof geheel bewerkt, omdat hij onoogelijk is, tenzij dan bij het restaureeren van antieke werkstukken.

Borduursel bestaat uit samenvoegingen van steken. Voor borduurster en patroonteekenaarster beiden is daarom eene grondige bekendheid met die steken onmisbaar. Natuurlijk is daarmede niet bedoeld de kennis van al die wijzigingen en varianten van steken, die ieders vindingrijkheid altijd nog vermenigvuldigen kan en wier aantal, wilde men ze alle beschrijven, aan dit boekje den omvang eener encyclopedie zoude geven, maar de kennis dier eigenaardige hoofdsoorten, die voor stofversiering van oudsher het meest doeltreffend zijn bevonden.

Natuurlijk zijn deze onmiddellijk afgeleid van die steken, die het eerst in zwang kwamen voor practische, prozaïsche

Sluiten