Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar waarvan men noch het bestaan, noch den oorsprong kan betwisten. Herodotus spreekt ervan bij den inval der Scythen in Azië en hun verblijf in Syrië; zij keerden naar hun land terug met een door ziekte ontstaan gebrek, dat zij in hun betrekkingen met de Syriërs opgedaan hadden: een gebrek, dat de legende als een wraak van Mylitta beschouwde, van wie zij den tempel te Ascalon geplunderd hadden. Er wor^t nog melding van gemaakt in een passage van den geschiedschrijver Eusebius Pamphilius, de beschrijving betreffende van den tempel van Venus op den berg Liban. „Daar bestond," zegt de schrijver, „een school van ontucht voor de losbollen, die er hun lichaam op alle wijzen onteerden; verwijfde mannen loochenden er hun natuurlijke waardigheid, en zij vereerden als godheid de ondeugd, waarmede zij aangedaan waren. Er hadden buitendien tusschen vrouwen onderling een wulpsche bijslaap en omhelzingen plaats, die niet geoorloofd zijn; er werden bovendien schandelijke en eerlooze daden gepleegd, als in een plaats, waar God noch gebod heerscht,"

De schrijvers hebben ons de namen van enkele andere ziekten nagelaten, die den mond en de geslachtsdeelen aandeden: morbus phenicus, scelerata lues, enz., namen, die duidelijk een venerischen oorsprong, een besmettelijk karakter verraden, en die men beschouwen kan als de grondslagen van de Syphilis. Evenwel was de ziekte der Scythen, de Nosos rhailcia, volgens zekere uitleggers en volgens Rosenbaum in het bijzonder, geen besmettelijke venerische ziekte, maar een verzwakking der manbaarheid door den hartstocht der passieve pederastie teweeggebracht.

Er kan dus geen twijfel bestaan over dezen toestand der prostitutie van den mensch in de oudheid: de afgod van

Sluiten