is toegevoegd aan uw favorieten.

De prostitutie bij de volken der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lampsachus, saters en nimfen, zelfs goden en godinnen, keizers en keizerinnen, die zich aan den bijslaap in al zijn vormen overgeven. Onder de platen van dit werk, merker wij de Nos. XXXII en XXXV op; zij behooren tot denzelfden steen, die aan beide zijden gegraveerd was; een steen, die met het overige van het kabinet van den baron Itoch in handen van den koning van Pruisen is overgegaan. Plaat

XXXII stelt Messalina, de vrouw van keizer Claudius voor, wier naam tot de nakomelingschap is gekomen als het type van ontucht en prostitutie; zij zit voor een tempeltje of kapelletje van Priapus met een myrtentak in de hand. Plaat

XXXIII stelt een cirkel voor aan welks omtrek zeven Priapen uitsteken. Boven den cirkel leest men M e s s a 1., en er onder C1 a v d i. Tusschen eiken Priapus ziet men een letter ; van links naar rechts lezende, vindt men het woord i n v i c t a. „In het midden van den cirkel," schrijft d'Harcanville, „bevindt zich een slak, een tweeslachtig dier en wel waard door Messalina benijd te worden. De zeven Priapen, die de slak omringen en haar hulde brengen, zijn te klein in aantal om een denkbeeld te geven van het onverzadelijk gestel dier vrouw, van wie Juvenalis het portret eindigt met:

„Et lassata viris, nonduni exsatiuta recessit."

Plaat XLV is een offerscène aan Priapus.

De priester, die bij deze plechtigheid de dubbele fluit speelt, behoort tot hen, die Sidonius, Appollinaris Mtetec noemt, omdat zij zoowel Priapus als Bacchus dienen. Herodotus noemde hen Phalliphorus of Priapusdragers, omdat zij bij processiën het afgodsbeeld van den god Lampsachus droegen. Deze processiën waren zeer plechtig, en de vrouwen verwachtten er vruchtbaarheid van.

Men moet in Apuleus al de schandelijke bizonderheden