Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakte bijschriften bij Vondels portretten en pleegde raad met hem over het inlasschen van dansen in Lucifer. Op het feest van het Sint-Lucasgild in 1653 , waar Vondel openlijk gekroond werd, zal hij kennis hebben gemaakt met Asselijn, die toen nog niet getoond had welk een geestig kluchtspeldichter in hein stak. Onder de „jonge aankomende dichters" die hem, volgens Brandts verhaal, hun werk lieten lezen, zijn waarschijnlijk ook Anslo en De Decker geweest; beiden werden ten minste door hem geprezen om hunne „cierlyke netheit" 1 ■ Misschien behoorden ook zij tot de „leergierigen" op wier verzoek Vondel zijne A en leiding e ter Nederduitsche Dichtkunste schreef en in 1650 uitgaf.

Sommige leege plaatsen in den kring van Vondels tijdgenooten werden door een jonger geslacht ingenomen ; wij zien het in Vondels poëzie: de inkt waarmede delijkdichten op de ouderen geschreven zijn, is nog nauwelijks opgedroogd of aan zijne onvermoeide pen ontvloeien reeds bruiloftsdichten voor hunne kinderen. Het is de bruiloft van Arnout Hellemans Hooft, voorzoon van den Drost; van Jacob Hinlopen, van Jan de Witt en Wendela Bicker, wier moeder eene De Graeff was, van Joan Six en van Joan Huidekooper Jr. Dat de Katholieken, vooral Katholieke geestelijken, langzamerhand meer plaatsen in Vondels omgeving bezetten, is alleszins begrijpelijk. Met pater Laurentius, die hem waarschijnlijk bevestigd heelt als lid der Roomsch-Katholieke Kerk en pater Marius moet hij reeds vóór 1641 bekend zijn geweest; over Laurentius zwijgt

1. Vgl. Brandts Leven van Vondel (ed. Verwys) bl. 101, 104.

Sluiten