Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeschicktheit (ongepastheid) en moedtwillige boosheit schieten my geene wapens dan myn gedult over. De lezers wien het lust een anders dicht op mijnen naam te lezen, mogen zich ondertusschen hiermede ketelen (kittelen), mij staet het te gedoogen." 1

Zijn gansche leven lang was hij een stoer werker, onvermoeid bezig den schat zijner kennis te vergrooten, niet rustend voordat hij de stof die hij wilde behandelen geheel meester was. Welk een ontzaglijken arbeid getroostte hij zich niet, alvorens hij zich in staat achtte tot het schrijven van sommige zijner treurspelen ; welk eene stof moest er verwerkt worden in gedichten als de Heerlijckheit der Kercke, Bespiegelingen van Godt en Godsdienst, Altaergeheimenissen ! De omvang van het door hem nagelaten werk is ontzagwekkend, en hoeveel is er nog dat door den dichter niet is uitgegeven of vernietigd: de vertaling van Tasso's Gerusalemme werd eerst onlangs in handschrift teruggevonden ; niet gedrukt zijn zijne vertalingen van Seneca's Hercules furens, Ovidius' Tristia, „verscheide boeken van Lucanus en Papinius Statius"; zijn treurspel Messallina en zijn heldendicht op Constantijn den Groote heeft hij zelf vernietigd.

Bescheiden oordeelend van eigen verdiensten, was hij steeds geneigd die van anderen te erkennen; afgunst op den roem van anderen was hem vreemd. Jongeren hielp hij gaarne voort en prees liever dan hij afkeurde. Op eigen werk oefende hij echter altijd strenge critiek.

Of zijn blik op menschen scherp was, mag betwijfeld

1. Unger, 1657—1660, bl. 272.

Sluiten