Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„kruipend" noemt, over zijne „flemende lofzangen" spreekt en zich „tot walgens toe verbaast" over zijne opdrachten en over vele bruiloftsverzen, die houdt geene rekening noch met den geest dier tijden noch met Vondels godsdienstige overtuiging die zoo nauw samenhangt met zijne beschouwing van menschen en dingen. 1 In eigen oogen vernederde Vondel zich volstrekt niet; die houding tegenover de hoogere standen betaamde z. i. hem den burgerman — zoolang zij niet in strijd kwam met hetgeen zijn geweten hem voorschreef. Waar hij meent dat vrijheid en geloof bedreigd worden, waar hij het algemeen belang in gevaar ziet door de zelfzucht van grooten, daar is hij verre van nederig en onderdanig, maar vrij en fier vertoont hij zijne vlag. Hij doet geeue dingen die niet strooken met zijne overtuiging. Toen Maurits in 1618 te Amsterdam kwam, werd hij daar feestelijk ontvangen, de vreugde was algemeen, aanzienlijken en geringen droegen oranjepluimen en strikken, Egelantier en Lavendel gaven vertooningen — naar een welkomstgedicht van Vondel zoekt men tevergeefs. Al zijn eerbied voor de gestelde machten verhindert hem niet Palamedes te schrijven en uit te geven ; zelfs terwijl hij zich voor de vervolging schuilhield ten huize van zijn zwager Hans de Wolf, zeide hij: „Ik zal dat volk de waarheid nog scherper zeggen" en schreef andere „steekende heekeldichten." De eerbiedige genegenheid die hij ook Willem II van jongsaf had toegedragen , veranderde in afkeer, in afschuw zelfs, zoodra deze de

1. Jonckbloets beschouwing is hier bedoeld; vgl. zijne Gesch. der Ned. Letterk. IV, 159.

Sluiten