Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dierbare vrijheid bedreigde. „Ghij lijt het nimmermeer", roept hij tot de beide, na den aanslag op Amsterdam gebouwde blokhuizen :

Dat Aemstel, een tiran ten dienste, zweete en slave En voor een vryen Staet verkieze een wulpschen Heer.

Onder de „Monsters onzer eeuwe" wordt ook Willem II genoemd „op Amsterdam te helsch gebeten"; „een booze zoon die zijne moeder de borst afsnijdt" — zoo kenschetst hij den prins wiens komst in dit leven hij had begroet en gevierd met de zilveren tonen zijner Geboortklock. In den Brief aan den Drost van May den in 1628 geschreven „in de Sont" klaagt hij:

Heer, hoe lang, hoe lang hebt ghy besloten Den aerdboom tot een roof te geven aen de grooten,

Wier staetsucht 's vollecks vleesch als roest het yser vreet? D'onschuldige gemeent die staet op bloed en sweet Hun' overdwaelsche pracht.

En het lijkt weinig op „kruipen" en „flemende lofzangen", wanneer de dichter, in Roskam de slechte regenten en staatsdienaren hekelend, verontwaardigd uitroept:

En sijnder dan geen stroppen Voor geld te krijgen, dat men 't quaed niet af en schaft?

En dat landsdievery tot noch blijft ongestraft?

Of isser niet een beul in 't gansche land te vinden?

Wat Vondel hier in verontwaardiging brengt, is zoowel zijn afkeer van onrecht als zijne warme sympathie voor het volk, want met al zijn eerbied voor de gestelde machten is hij toch democraat in zijn hart. Vriend des volks

Sluiten