Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toont hij zich reeds in een paar verzen van Haec Liberlalis Ergo waar hij in de bres springt voor „Hollands melleckkoe"

Die boter karnt en krijght de liuyd vol slaegen toe.

Haer huyd, haer gras, haer smeer, haar hoornen pacht betalen:

Noch deedse 't willigh , moght haer siel slechts adem halen In d'algemeene lucht, vrypostigh, ongemoeyt,

Maar ah ' sy sucht vergeefs: vergeefs ist datse loeyt.

Voor het grauw, „Isrels hoekgespuys", 1 de „hollende gemeente // Wiens oproer sit in 't bloed, in 't merregh van 't gebeente"2 heeft hij weinig sympathie, maar oprecht medelijden met „'t arm eenvoudigh volck" (Harpoen) dat door dweepzieke predikanten wordt opgehitst. In Roskam zwelt dat medelijden aan tot verontwaardiging die de zweep van het sarcasme met kracht doet neerdalen op de ruggen der regenten, de onbarmhartige ezeldrijvers die den „gemeenten-ezel" toeroepen :

Het land heeft meel gebreck : dus breng den sack te molen, Het drijven is ons ampt, het pack is u bevolen,

Vernoegh u datghe sijt een vrvgevochten beest;

Is 't na het lichaam niet, zoo is het na den geest.

Tot 's lichaams lasten heeft de hemel u beschoren,

Dit past u bet dan ons: ghy sijt een slaef geboren.

Toont Vondel ook hier weer zijn eerbied voor het gezag, waar hij , vreezend dat de laster zijne woorden verkeerd zal uitleggen, met nadruk verklaart: „Gehoorsaemhevd die past een oprecht ingeseten" — zijn eigen voorbeeld bewijst dat hij die gehoorzaamheid aan wereldlijke gezaghebbers

1. Rommelpot van 7 Hanekot vs. 87.

2. Harpoen vs. 151—152.

Sluiten