Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo vormt zich aan een vochtigen tak langzamerhand een heldere droppel, hii zwelt en zwelt, het licht schijnt er in en doet hem schitteren als zilver, wij zien hem langwerpig worden, daar zal hij vallen! neen, nog blijft hij gehecht aan de plek waar hij zich vormde; onmerkbaar voor ons zwak oog vloeien er nog eenige waterdeeltjes bij — daar rekt hij zich en valt en wordt opgenomen in den stroom waarboven hij straks nog hing.

Wanneer wij Vondels godsdienstig gemoedsleven na zijn overgang tot het Katholicisme beschouwen, dan treft ons ten eerste een vurige geloofsijver waardoor hij als verteerd wordt. Ware hij eene halve eeuw vroeger geboren, hij zou zijn leven gelaten hebben om der wille des geloofs; te vergeefs tracht hij zijne offervaardigheid te uiten door poëzie. Het viertal groote werken die binnen betrekkelijk korten tijd op elkander volgen: Peter en Pauwels (1641), Brieven der heilige Maeghden (1642), Altaergeheimenissen (1645), Maria Stuart (1646) zijn alle ontstaan uil de behoefte zich te verdiepen in, zich te doordringen van het Katholicisme, zijne geschiedenis, zijne leer; de slotregel van Maria Stuart: „Zoo groeie en bloei de Kerck: zoo ga men recht naer

overgang, kan langs wetenschappelijken weg niet worden uitgemaakt met de tegenwoordige gegevens: Marius' invloed kan in geen geval geloochend worden, doch dat hoogstwaarschijnlijk ook Laurentius en andere Jezuïeten invloed gehad hebben, moet erkend: dat Vondel over Laurentius zwijgt, bewijst niet veel daartegen — dat ben ik met Pater Allard eens. Vraagt men welke priester Vondel als lid der Kerk bevestigd heeft, dan noem ik dat eene vrij onbeteekenende vraag. Zich daarover zoo warm te maken als Dr. Kliinne en Pater Allard gedaan hebben, verraadt, dunkt mij, dat zij meer vervuld zijn van den roem van Bagijnhof en Jezuieten-orde, dan dienstig is bij het zoeken naar de waarheid aangaande Vondel.

Sluiten