Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godt" geeft de stemming weer waarin de dichter toentertijd verkeerde; telkens vinden wij, vooral in de twee eerstgenoemde werken, plaatsen waar het kruis en het martelaarschap verheerlijkt worden.

Tot nadenken gekomen , een blik terugwerpend op den afgelegden weg, gevoelt hij innige dankbaarheid voor den zegen die hem te beurt is gevallen: aan het slot der Altaergeheimenmen schetst hij zich zei ven als „vermoeit van ydel dolen", nu gerust in „den schoot der Kercke"; in een later gedicht Toetssteen (1650) prijst hij zich gelukkig omdat hij de verborgen parel des geloofs gevonden heeft; en nog twintig jaar na den beslissenden stap is hij vol dankbaarheid omdat hij den weg heeft mogen vinden uit wat hem nu een doolhof van dwalingen toeschijnt:

Wat bypaèn vlecht men niet in meesterlooze schooien, Om achterwaerts te gaen en dieper te verdoolen.

Geluckigh is de ziel die noch een wijzer vint,

Een draet die haer geleit uit zulck een Labyrint. 1

Telkens blijkt ons uit bijschriften van zijne hand, hoe dankbaar hij gestemd is jegens Katholieke geestelijken met wie hij in aanraking is geweest en die hem door hunne leer en hun voorbeeld hebben gesticht. Ook in zijne treurspelen eert hij de priesterschap. Het beeld van den Aertspriester dat ons in Jeptha geschetst wordt, vertoont veel overeenkomst met dat van den Paus 2; in David in Ballingschap wordt de priesterschap openlijk door Absalon geëerd en haar de verzekering gegeven: „Wij willen tienden noch

1. De Heerlyckheyt der Kercke (1603) III, 1'21—924.

2. T. a. p. vs. 1141—1154, 1195—1196.

Sluiten