Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van God, doch steeds zoekend naar haren oorsprong, keert telkens terug, evenals de verwante voorstelling dat het goede in de menschen bij sprankjes verspreid is doch in God zijn bronader vindt. 1 In het „vaderlant daer boven" stijgen, dddr God schouwen, is wat Vondel steeds vuriger wenscht. In zijne bewerking van Davids Psalmen kan men duidelijk zien, hoe zeer hij genoten heeft van eene plaats waarin over het „aanschouwen van de liefelijkheid des Heeren" gesproken wordt, met hoeveel welbehagen hij dit denkbeeld heeft omhangen met het kostbare tooisel zijner taal.2

De voorstelling die Vondel zich van den hemel vormde, was aanvankelijk vrij wel dezelfde die wij in de middeleeuwen zoo vaak aantreffen; het is het „nieuw Jeruzalem", de stad met gouden straten en muren, paarlmoeren poorten en kostelijke torens; zoo zien wij het b. v. in de hiervoor aangehaalde plaats uit Hierusalem Verwoest. Mettertijd werd zijne voorstelling ook in dit opzicht minder kinderlijk en grootscher. Geen schilder heeft zoo den indruk van het onmetelijke en het oneindige weten weer te geven als het genie van Vondel het in Lucifer heeft gedaan. Op zijne arendswieken voert de dichter ons hoog boven de aarde binnen de wijde ruimten des hemels, die stralen van licht; daar zweven de geesten die in hunne vaart

1. Samson vs. 1000—1002: Bespiegelingen II, 1166—1170; Uitvoert van Maria van den Vondel vs. 13—16, 17—20. Dezelfde voorstelling in Dante's Paradiso, Canto 26, vs. 32—33: »Che ciascun ben che fuor di lei si trova// Altro non i che di suolume un raggio."

2. Vgl. Psalm WVIl. vs. 4: »Een ding heb ik van den Heer liegeerd, dat zal ik zoeken" enz., met den XXVI Harpzang, vs. 41—61.

Sluiten