Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alpen, dat zich van W. naar O. uitstrekt, in die richting toenemende in breedte en afnemende in hoogte. De hoogste top is de Mont-Blanc (4800 M.). Ten N. van de Alpen liggen de Duitsehe, ten W. hiervan en van de Alpen de Fransche, ten O. de Karpatische gebergten. De drie zuidelijke schiereilanden bestaan grootendeels uit bergland.

In het bergachtige deel van Europa zijn eenige laagvlakten ingesloten: de Bovenrijnsche vlakte, de Po vlak te, de Walachijsche en de Hongaarsche vlakte.

De eilanden van Zuid-Europa zijn meest alle bergachtig, Groot-Brittannie is in 't N. en W. bergland, in 't O. laagland.

§ 12. Rivieren. De hoofdwaterscheiding van Europa loopt van het ZW. naar het NO. (Een waterscheiding is een lijn, die stroomgebieden scheidt. Een stroomgebied is het land, dat water levert aan ééne rivier.) Naar het W. en N. stroomen . . . . ? Naar het O. en Z ?

De rivieren der bergachtige schiereilanden, vooral die van Spanje en Skandinavië, hebben een zeer ongelijkmatig verval. (Verval is 't verschil in hoogte van den waterspiegel tusschen twee punten aan een rivier.) Zij vormen vele watervallen en stroomversnellingen, zelfs op korten afstand van de monding. Ze bêhouden het karakter van den bovenloop dus zeer lang. De andere rivieren hebben een betrekkelijk langen benedenloop. I11 ZuidEuropa, met zijn droge zomers en regenrijke winters, is de vvaterhoeveelheid der rivieren zeer ongelijkmatig. Slechts een klein deel van Europa (in 't ZO.) heeft stepperivieren, d. w. ;i. rivieren, die niet in een zee, maar in een meer of in een moeras eindigen. Zulk een meer of moeras bevat dan zout water.

§ 13. Klimaat. Een groot deel van Middel- en NoordEuropa geniet de voordeelen van een zeeklimaat, door de ligging aan den Atlantischen oceaan, waardoor hier een warme stroom loopt, de Golfstroom. Dit alles zou op Europa's klimaat echter geen invloed oefenen, wanneer hier niet meestal westenwinden waaiden. Oost-Europa heeft een vastelandsklimaat.

Sluiten