Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgelost. De omvang en de diepte van een meer zonder afstrooming (boven- of onderaardsch) wordt geregeld door de verhouding tusschen wateraanvoer en verdamping. Het zoutgehalte is zeer ongelijk en wisselt van een geringe breuk tot 37 o/0. De Doode zee (24 %) en het Elton-meer (27 0/„) behooren tot de zoutste. Een klein meer aan den Ararat heeft het grootste zoutgehalte.

Geen wonder dat bij zoo uiteenloopende grootheden een aantal categorieën zijn te onderscheiden;

ie. Meren in aangespoelde laagvlakten, langs de rivieren en de zee. Die langs de rivieren zijn gewoonlijk door deze zelve afgedamd en dienen veelal als waterberging bij hoog water, terwijl ze bij laag water naar de rivieren afstroomen. De strandmeren zijn reeds in de vorige § genoemd.

2e. Krat er meren.

3e- Karst meren in de dolinen en poljen.

4e. Kleine bergmeren, meestal in door verweering ontstane, circusvormige dalnissen gelegen.

5e- Steppenmeren.

6e. Inzinkingsmeren.

7e- De meren van vroeger met ijs bedekte streken.

De drie laatste categorieën omvatten verreweg de grootste meren, ja uitgestrekte meer-landschappen. De steppenmeren zijn meest ondiepe plassen (het grootste, de Kaspische zee, vormt in 't Z. een uitzondering). — De groote Afrikaansche meren en vele andere (Baikal-meer, meren van Sumatra) acht men gelegen in verzonken deelen der aardkorst, tusschen verschuivingen der aardlagen. Deze inzinkingsmeren hebben de grootste diepten; het diepst van alle is het Baikalmeer, tot meer dan 1500 M. — Merkwaardig is de geaardheid van een menigte meren der laatste categorie. Voor zoover deze ontstaan zijn ten gevolge van afdamming van een dal, door puindammen van vroegere gletsjers, baart hun ontstaan geen moeilijkheid. Maar een groot aantal der grootste (in Canada, om de Oostzee, om de Alpen) zijn in de rots uitgeholde

Sluiten