Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 groote en een aantal kleine gletsjers afdalen; de eerste zakken meest tot 3 a 600 M., één tot 42 M.

Over het polaire landijs is reeds in het hoofstuk Poolstreken gesproken (zie blz. 248).

Een belangwekkend verschijnsel is de toe- en afneming der gletsjers in lengte, die een gevolg van afwisseling van perioden met veel en weinig sneeuwval schijnt te zijn. De Alpengletsjers hadden in 1855 een maximum van lengte. Sedert werden ze korter, maar in 1875—'92 werden de meeste in Zwitserland weer langrr. In de Oost-Alpen begon dit in 1890 en duurt nog voort. In 't algemeen schijnt de afneming in historischen tijd grooter dan de toeneming. De Scandinavische gletsjers waren vóór de 18e eeuw veel kleiner dan nu, en gingen in die eeuw zeer sterk aan 't groeien , terwijl ze in de 19e ongeveer stationair bleven.

Vele gebergten, die thans geen gletsjers dragen, toonen de sporen van een vroeger gletsjerbedekking (b.v. vele Europeesche middelgebergten); op andere blijken de gletsjers vroeger tot den voet gereikt te hebben, ja in tal van laagvlakten vindt men terreinvormen, die op voormalige ijsbedekking wijzen, en de soort der gesteenten kan dan dikwijls doen uitmaken van welk gebergte zij afkomstig zijn. De gevolgtrekking is, dat vele streken der aarde, vooral in den diluvialen tijd , een klimaat met meer sneeuwval hebben bezeten. Men noemt die tijden, als reeds vroeger gezegd is, de ijstijden. De grootste uitgestrektheid schijnt het landijs gehad te hebben in Noord-Amerika, waar het geheele Britsche gebied en het Noorden der Mississippi-vlakte ermee bedekt is geweest, en in Noord-Europa, waar het tot ongeveer 520 NH. reikte; het landijs ging hier over den Oeral tot bij de Ob; het uitgangspunt was Scandinavië. In dienzelfden voornaamsten grooten ijstijd — die door eenige perioden van geringer uitgestrektheid van het verschijnsel werd voorafgegaan en gevolgd — vertoonden ook de andere gebergten aanzienlijke vergletsjering. De Alpengletsjers reikten tot ver buiten den voet van het gebergte, het minst ver in 't Oosten.

Sluiten