Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitzonderingen vormen de wanden der straks te noemen diepste geulen, en verder een aantal banken en eilanden; aan de laatste, zoowel vulkanen als koraaleilanden, komen lange hellingen van meer dan 50' voor, die in gebergten zelden te vinden zijn.

Diepe declen des oceaans (van 2000 M. en meer), van groote uitgestrektheid, zijn ongetwijfeld reeds lang zeebodem. Kleine bekkens met oceanische diepten in middellandsche zeeën wijzen op instorting en sterke verzakking. Op de randen van deze verzakkingsterreinen vinden we dan ook dikwijls vulkanische verschijnselen. Een voorbeeld geeft de Middellandsche zee, die uit eenige instortingsbekkens bestaat. Dergelijke instortingsbekkens vertoonen ook de Amerikaansche, de Austraal-Aziatische (de Indische Archipel met de Zuidchineesche zee) en de Arctische middellandsche zee (of Noordelijke IJszee).

Door den Atlantischen oceaan loopt een meest niet dieper dan 3000 M. gaande rug, die aansluit bij de onderzeesche hoogvlakte, welke Europa met Groenland verbindt, dan ongeveer de lengteas van den oceaan volgt en bezuiden de lijn van kaap Hoorn tot kaap de Goede Hoop zich weer tot een hoogvlakte verbreedt. Den Grooten oceaan kan men naar de diepte in twee deelen scheiden door een lijn van Tokio naar kaap Hoorn. Het zuidwestelijke deel is rijker geleed, van tallooze eilandgroepen voorzien, die op gemeenschappelijke ruggen liggen, waartusschen bekkens van 4500 M. en meer diepte. Het noordoostelijke deel is bijna eilandloos en in de noordhelft grootendeels meer dan 5000 M. diep.

De Indische oceaan heeft in de westhelft vele eilanden en ruggen, misschien overblijfselen van een landbrug van Voor-Indië naar Zuid-Afrika; de oosthelft is een groot bekken.

De kusten van den Atlantischen en die van den Indischen oceaan schijnen meest afgebroken te zijn langs rechte verschuivingen der aardlagen, terwijl die van den Grooten oceaan omringd zijn door plooiingsgebergten, in Amerika

Sluiten