Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de Semieten (Arabieren, Joden). Afzonderlijk staan naar de taal de Basken en enkele Kaukasus-stammen.

Voor de Europeanen heeft men in den laatsten tijd een andere indeeling beproefd, in drie onderrassen, naar lichaamskenmerken: ie. het noordelijke, lang, blank van huid, blond van haar, blauwoogig, langhoofdig, waartoe men de echte Germanen brengt, wellicht ook de oorspronkelijke Finnen en Russen; 2e. het Alpine onderras, waartoe de meeste Franschen, Belgen en Zuid-Duitschers en de Alpenbewoners behooren; ze zijn kleiner, met bruine oogen en donker haar, wat donkerder van huid, met een rond hoofd en een kort gezicht; 3e. het Mediterrane onderras in Zuid-Europa, nog kleiner, nog donkerder, maar weer langhoofdig

Voor de onderverdeeling der Indo-Germanen naar de talen zie men kaart 8. Evenzoo voor de Mongoolsche volkstammen van Europa.

2e. Het gele of Mongoolsche ras, het hoofdras van Azië, ± 450 millioen tellend, met gele huidskleur, plat en bi eed gezicht, waar de jukbeenderen bijna evenver uitsteken als de neus, kortschedelig; met grof, sluik en zwart haar, weinig baardgroei, een grooten mond, met dunne lippen; vele volken hebben een schuine oogspleet. Vgl. blz. 180.

3e. Het zwarte of Negerras, het hoofdras van Afrika; lang, krachtig; donkerbruin tot zwart van huid, met wollig haar, een breeden, platten neus, een grooten mond met dikke lippen; een langen schedel, met groot achterhoofd en terugwijkend voorhoofd; een scheeve gegelaatshoek. Zie verder blz. 203. Het aantal is wellicht 110—120 millioen.

4e. Het Amerikaansche ras, met geelbruine huidskleur , ten onrechte wel het roode ras genoemd: sommige stammen zijn koperrood, doordat ze zich verven; zwart, sluik haar, weinig baardgroei, dus eenige Mongoolsche kenmerken, maar meest een gebogen, smalle neus. De Eskimo's gelijken naar het gelaat meer op Mongolen,

27*

Sluiten