Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gladden vleugelrand (fig. 5066). Bloemkroon wit. 0,15-0,60. Q. Juni—Septr. Op bebouwden en onbebouwden zandgrond.

Miere. Sparre. Spurrie. S. arvënsis L.

Vormen:

«. v u 1 g a r i s Boenngb. Zaden met witachtige, ten slotte

bruinachtige wratjes bezet. Algemeen.

p. sativa Boenngh. Zaden zwart, met fijne puntjes. Veel

gekweekt en soms verwilderd.

v. maxima Whe. Zaden even als de geheele plant veel groo-

ter dan «. vulgaris. Zeldzaam Bladen van onderen zonder lengtegroe (fig. 507). Zaden afgeplat, lens vormig, door een straalvormig gestreepten vleugelrand omgeven Meeldraden 10, zeldzamer tot 6 Kroonbladen ovaal, wit. 0,07-0,30 O. April—Juni. Op dorren zand en heigrond. Vrij zeldzaam. Heidespurrie. S- Morisónii Bor

7. Spergularia Prsl.

Sch ij n spu rri e. x.

Kruiden met tegenoverstaande bladen witvliezice steunbladen en afzonder

lijk of in beschermen staande bloemen, wier stelen na den bloei horizontaal afstaand of teruggeslagen zjjn en zich ten laatste weder

oprichten 1

1 Stengel rechtopstaand. Bladen draadvormig, stekelpuntig. Kelkbladen spits, witvliezig, met groene rugnerf, dubbel zoo lang als de

Fig. 507. Spergula Morisónii.

a twee steunbladen: h, c bloem van achteren en van voren: d meeldraden en stamper; e vruchtkelk mol rijpe zaaddoos; f zaad (vergrooti.

bloemkroon ihg. iOsl. Bloemkroon j.-jE ;,os.

wit. 0,0:25-0,10. •).Juni,Juli.Korenvelden. W(ik bij Maastricht, Geleen. Koron sch(jnspurrio. S. segetiilis Fen/.l.

Stengel liggend of opstijgend. Kelkbladen kruidachtig, groen, alleen de rand droogvliezig, stomp, weinig langer dan de bloemkroon. 2 2 Bladen aan weerskanten vlak, met stekelpunt, althans de bovenste ljjn-draadvormig (fig. 509). Steunbladen zilverglanzig, eirond of eirond-lancetvormig. Doosvrucht driehoekig-eirond, omstreeks even lang als de kelk. Zaden fijn gerimpeld, ongevleugeld met dikkeren rand, grijsbruin. Bloemkroon rose. 0,05-0,20. Q—2J..

Sluiten