Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liggend of opstijgend, in de onderste bladoksels met knolletjes.

xJiauuu gjuu/.jg f

rond-bartvorraig , gekarteld, de |bovenste hoekig. Bloemkroonbladen smal-langwerpig, goudgeel. 0,05-0,24. ijMaart—Mei. Op vochtige, beschaduwde plaatsen. Zeer algemeen. (Ifanünculus Fi-

Caria L., Fica- Fig. iï96. Ficaria verna.

1'ia ranunculoides " b'oem van achteren, li van voren; c bloemkroonblad;

»» i . d meeldraden en stampers, e, g de stampers

JHoenen.). en vruchtjes; f meeldraad.

Kleine gouwe. Ilaneklooties.

Speenkruid. F. verna Huds. 10. Céltha L.

1 Stengel opstijgend , naar boven vertakt (fig. 597). Bladen donkergroen, glanzig, hart-eivormig tot niervormig, gekarteld, de onderste gesteeld, de bovenste bijna zittend. Bloemen groot. Kelk dooiergeel. 0,15-0,30. 2^. April, Mei, soms weer Augs., Septr. In moerassige weilanden , langs slooten en vaarten en beken. Algemeen. Ook als sierplant, soms met gevulde bloe¬

men .... GrOOte boterbloem. Fig. 597. Caltha palustris.

Waterboterl>loem. Kleine plomp. a vruchthoopje.

Dotterbloem. C. palustris L.

11. Trólliui L.

1 Stengel rechtopstaand, meest niet vertakt, ééubloeinig. Bladen handdeelig met 3spletigo, gezaagde slippen. Kelk bolvormig samensluitend, citroengeel. Bloemkroon dooiergeel. 0,3U-U,ilO. . Mei, Juni. Sierplant. K o ge I b I oe m. -J T. ruropnéus L.

12. Eranthis Sillsb.

1 Wortelstok knolvormig (lig. 59S). Stengel l bloemie. Bladon langgesteeld. hartvormigrondachtig, ü-Tdeeiig met lijnvormige slippen. Kelkbladen langwerpig, geel. 0,1CM),16. 4 rebr., Maart. In tuinen als sierplant, niet zelden verwijderd, in bosschen en op beschaduwde plaatsen Wint era co niet. f E. hiemalis Salisb.

Sluiten