Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den voet behaard, met ten laatste horizontaal afstaande stempels Noten onduidelijk kantig, met lederachtige schaal. Bloemkroon grooter dan bij T. parvifolia, donkerder. 1). Juni. Niet zelden "aangeplant. (T. vulgaris Hayne.). Een bastaard van T.

srandifolia en T. parvifolia. . _ „

Hollandsche linde. T. intermedia D. C.

Als sierboom (uit de Krim) komt ook wel voor T. euclilóra Kocli. (T. dasystyla 1 oud) Takken des zomers geelgroen, in den winter lichtgeel of koraalrood, rechtnnXand Bladen aan weerszijden kaal, van onderen in de hoeken der nerven vuilgrijs 'gebaard, van boven donker-, van onderen bleekgroen, gezaagd. Stijlen onbehaard met rechtopstaande stempels. Noten lederachtig, zwak 5-ribbig. b. Juni.

Klarien aan weerskanten kaal, groen, zeldzaam van onderen iets behaard. Stjjlen aan den voet behaard Bladen weinig meer lang dan breed, dunvliezig, met weinig scheeven en hartvormigen voet, van onderen met enkele haren bezet, eerst niet brninachtig Beschermen veelbloemig. Stijlen afvallend. Noten rond. Bloemkroon lichtgeel b Juli. Sierboom uit Canada (T. glabra Vent., T. mgra Borkh.t.

b ' 1 Amerik aanschelinde. fl. americana L.

Bladen van onderen ovenals de bladstelen witviltig. Bijschermen meerbloem^

Bladen'8gezaagd6."van onderin' evenals de 'bladstelen b'iijiend 'viitig. 'st'ijlên aan den voet viiti" Vrucht eirond, spits, zwak 5-ribbig. Bloemkroon lichtgeel I}. Kindo van Ju Sierboom uit Hongarije. (T alba W. et K„ T argéntea best )

Zilverlinde. t T. tomentosa Mnch.

Bladen scherp getand, dun, van onderen dunviltig, de bladstelen ten laatste onbeli-iard Stillen geheel onbehaard. Vrucht van boven samengedrukt, diep ;>*groevig. Bloemkroon groot. lichtgeel. Takken moest iets overhangend. (T. americana pendula hort.) 1;. Augs. Uit Noord-Amenka. (T. americaira Dur.

LVI. Ffm. Malvaceeën. Ma 1 veachtigen. xvi.

Kelk- ö-spletig, vaak met bijkelk. liloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel', eenbroederig. me' eenhokkige helmknoppen Stamper 1, niet i ele stijlen. I rucht in talrijke, eenzadige splitvruchten uiteenvallend of een doosvrucht.

1 Kruidachtige planten. Stamper 1, met veel meer dan vijf stijlen.

Vruchtjes talrijk, 1-zadig, zich ten laatste van elkaar scheidend, niet openspringend 2

Heesters, kleine boomen, soms kruiden. Stamper l, met 5 aan den voet vergroeide stijlen. Vrucht een 5-hokkige, 5-kleppigc, meerzadige doosvrucht. Bjlkelk veeldeelig.

Ji 1 D I SC U H • ■ *•

2 Vruchtjes in een cirkel

Vruchtjes een hoofdje vormend. Bijkelk 8-bladig, don kelk omhullend, met hartvormige bladen (fig.

3 Bijkelk 3-spletig of 3-bladig • • • • 4

Bijkelk 6-9-spletig, vrij (fig. 746). ..... A lthaéa*«J.

4 Bijkelk 3-bladig, aan den voet met den kelk vergroeid.

J M a 1 v a 41*.

Bijkelk 8spletig, niet met den kelk vergroeid iflg. 747) . . . . Lavatera 414

Sluiten