Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Arüncus L. xii.

Plant niet 8-tallig dubbelgevinde bladen, ontbrekende steunbladen en tot pluimen gerangschikte aren van bloemen. „a v**™

1 Blaadjes breed eirond, spits, vaak lang-toegespitst, scherp dubbel-gezaagd. Kroonbladen geelactatig-wit 0,90-1,80. 2*. Juni. Bij ons soms gekweekt en een paai malen verwilderd, i Arnhem , Njjmogen). Uit M. en O.-Europa. (Spnaea Aruncus L.)

Gei tob aard. f A. silvester Korstel.

18. Spiraea Trn. Spiraea. xn.

Heesters met ongedeelde bladen en meest kleine of weinig ontwikkelde steunblaadjes. 1

1 Bloemen in eindelingsclie pluimen 7

Bloemen in schermvormige trossen of schermen

2 Bloemkroon rood. Bladen van onderen viltig • • ■ • • \ • T

Bloemkroon lichtgeel. Bloemen een groote, samengestelde pluim vormend. laKken

zwak, vaak overhangend. Bladen breed eirond, min ol meer gelobd, minstens

dubbel-gezaagci, van onderen behaard, zeldzamer viltig. 1,50-.i,00. i;. juii, Aug..

Sierstruik uit Noordwest-Anlerika ,ts- '»

tur uHAi Rl.'irïen lantrwernitr-lancet vormig, scherp en meest ongel ij K

gezaagd, kaal. Kelkslippen afstaand. Takken meest licht en geelrood. Bloemkroon wit of rood. 0,902,00. b. Juni, Juli. Sierstruik uit ZuidoostEuropa en op verscheiden plaatsen verwilderd.

Theeboompje, -J- S. saliclfóllii L. :i Bladen eirond-langwerpig, gezaagd, van onderen, evenals de takken, roestkleurig-viltig. Pluimen tamelijk dicht, aan het benedendeel bebladerd. Meeldraden nauwelijks langer dan de bloemkroon. I,ii0-1,"i0. Ij. Juli, Augs. Sierstruik uit NoordAmerika. verwilderd (Apeldoorn:.

Viltige spiraea. f S. toinentósa L.

Bladen langwerpig, van voren iets gezaagd, van onderen, evenals de takken, griis-viltig. Pluim zeer dicht. lang, aan den voet weinig bebladerd. Meeldraden veel langer dan de bloemkroon. 0,901,20. Ij. Juni. Juli. Sierstruik uit NoordwestAmerika, ook verwilderd (Ruurlo, Deventeri.

Douglasspiraea. | 8. Doaglasil Hook. 4 Bloemkroon rood, zelden wit, klein. Bladen eirondlancetvormig, van voren dubbel-gezaagd. Stengel meest alleen van boven vertakt, rond. Bladen van onderen blauwgroen en iels viltig, als zü jong z(jn. evenals de takken roodbruin. Schermvormige trossen eindelings, bijna vlak. 1,00-1,25. b. Juni, Juli. Sierstruik uit China en Japan.

-j- S. callósa Tliunhg.

Kelkslippen tegen de kroonbladen aangedrukt. Schermaan zlirielinarschebebladerde takies.

Stijlen rechtopstaand. Bladen langwerpig of eirond- Fig. 980. Spiraea'salicifolia. elliptisch, scherp gezaagd, met afgeronden voet, bioem waarvan 2 bloem-

stur, van onderen bleek, van boven glanzig. Kelk- V'lajen ziln weggenomen: h deze slippen ook later rechtopstaand. Bloemen soms doorgesneden, met

g, vuld, wit. 1,00-2,00. b- April, Mei Uit Japan. S^Spers er in: ■ vrucht-j- S. prunifolla Sieb. et ^ncc. met de vruchten.

19. PhysocSrpus Chambess. XII.

1 Blailen langgesteeld, met wigvormigen voet, meest 3-lobbig, in omtrek rondachtig of eirond, ongeluk dubbel gekarteld-gezaagd. Bloemstelen behaard. Kelkslippen eiiond rechtopstaand, dlchtbehaard. Kroonbladen wit. Zaden glanzend 1,50-8,<k>. I). Juni. Sierstruik uit N.-Amerik.i. Verwilderd. (Doetlnchem, Overveen.) (Spiraea opulifolia L.i ..... Sneeuwbal spiraea. f P. opnlil'iülus flaximw.

Sluiten