Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kelk ö-deelig met langwerpige slippen. Bladen lederachtig, lancet-wigvormig, gewimperd, de stelen evenals de kelken en takken aangedrukt borstelig behaard. Bloemen 1-3 bijeen, eindelings, gestoeld, rood. 0,69-1,00. Ij. Mei, Juni. Sierstruik uit China en Japan (Azalea indica L.) T inc"('nin.

'2 Boomachtig. Bladen lancetvormig, beneden schilferig glanzend. Bloemen in dichte schermvormige trossen. Vruchtbeginsel 8-10-hokkig. Bloemen rood, wit, bont en bladen beneden wit tot bruinviltig. 1,30-4.00. b. Maart, April. I it Nepal.

f R. arboream Sm.

Hees terachtig. Bladen langwerpig-lancetvormig, naar weerszijden versmald, kaal beneden bleeker tot roestbruin. Bloemen in dichte, schermvormige trossen. Bloemen purper, lila, soms met bruine puntjes. 1,00-2,t>o. I». Mei, Juni. Uit W.-Azie. Soms verwilderd • • • • ; + ponticnm L.

Bekende Alpenplanten zijn K. hirsütum L., met stulgewimperde en R. fermgin é u m L., met van onderen roestkleurige bladen, beide zoogenaamde alpenrozen.

9. Rhodóra^Duh. x.

1 Bladen omgekeerd-eirond-langwerpig, blauwgroen. Bloemen in eindelingsche, «germvormige trossen, violet. 0,30-1,00. b. April, Mei. Sierheester mt N.-Amerika.

f R. canadensis L.

10. Lédum L. v. X.

1 Bladen lijn-lancetvormig, met omgerolden rand, van onderen roestkleurig-viltig. Meeldraden 10 langer dan de bloemkroon. Bloemen wit, van buiten roodachtig, naar citroenen riekend. 0,60-l.m b. Mei, Juni. Sierheester ult^U£Lp™,'^tre L

Bladen langwerpig-elliptisch. Meeldraden 5, omstreeks even lang als de bloemkroon. Overigens als de vorige. 0,10-0.30. I,. Mei, Juni. Sierheester uit^merika.^^

11. Cléthra L. v.

1 Bladen kaal, gesteeld, verspreid, afvallend. Bloemen kortgesteeld, in lange trossen. Kelk witachtig tot groen. Bloemkroon welriekend. bierstruik uit Oostelijk-Amerika. 1,00-2,00. I>. Augs., Septr. Een paarmalen, nl. bU Amersfoort, Delden, Kuurlo, Lonneker, verwilderd aangetroffen. .

Wüdesering. Clethra. f C. alnil'ólia L. '

12. Pirola Tm. Wintergroen, x.

Onbehaarde kruiden met gesteelde, altijdgroene, glanzende bladen en een onvertakten, naar boven altijd bladloozen stengel, die meestal een tros van bloemen draagt 1

I Bloomen alleenstaand, oindeiings, groot. Bloemkroon vlak uitgespreid, wit. Kelkslippen eirond, stomp. Bladen rund of rond spatelvormig, gekarteld gezaagd, even lang als do Steel. 0,050,10. ^.. Mei, Juni. Appelschac.'i, Denekamp.

Eenbloemwi ntergroen. 1'. uiiinora L.

Uloemen in trossen . & 2 Bloemkroon open, klok-

vormigffig. 1082). Meeldraden naar boven , stijl naar beneden gekromd.

Fig. 108}. Pirola minor.

<i bloem: h kelk; c binnenste doelen der bloom; d meeldraad; e stamper; f vrucht.

Sluiten