Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

violet, onderlip hooggeel. 0,07-0,45. Q- JUD'—Herfst. Op bouwland. Vrij zeldzaam . Spiesleeuwenbek. L. Elatine Mill. Alle bladen met ufgeronden voet (fig. 1175). Bloemstelen meest

ruwbehaard. Kelkslippen eirond-lancetvormig- spoor gebogen. Bloemkroon als bij de vorige soort. 0,07-0,30. (7). Juli—Herfst. Vindplaatsen als de vorige. Zeldzaam.

Eironde leeuwenbek. L. spüria Mill. Fig. 1175. Bloemstelen even lang als of langer dan de kelk 5

Bloemstelen korter dan de kelk, zelfa gedurende de vruchtvorming. Bloemen in eindelingsche trossen 9

Fig. 1176.

Bladen langwerpig-luncetvormig tot lancetvormig, stomp, kort gesteeld. Bloemen in de bladoksels, ijle trossen vormend (fig 11764). Bloemstelen 3-4-maal zoolang als 'de kelk, meest langer dan de bloemkroon. Kelkslippen lijn— vormig-langwerpig (fig. 1176a). Plant klierachtig behaard. Bloemkroon bleek-violet met bleekgeel gehemelte. 0,07-0,22. Q. Juni—Octr. Op zandgrond en in moestuinen op teelaarde. Vrij zeldzaam . . . Kleine leeuwenbek. L. minor Desf.

Hinden liin- of lijn-lancetvormiir. zittend of bijna zittend. Bloemen in

eindelingsche trossen. Bloemstelen meest korter dan de bloemen. 6 Bladen dicht opeen, verspreid, lijn-lancetvormig, met iets omgebogen rand (fig. 1177). Stengel niet of weinig vertakt. Bloemen in dichte trossen, lichtgeel, zelden bijna wit, met oranje gehemelte. Zaden vlak, gevleugeld. Spil van den tros en bloemstelen meest klierachtig zacht behaard. 0,30-0,90. 2J.- Jun'—Herfst. Op zandgrond, ook in weiden, langs dijken, ook in de duinen. Algemeen.

Gele leeuwenbek. L. vulgaris Mill.

Fig. 1177. Linaria vulgaris.

a bloem; b geopende kelk met den stamper: c opengelegde bloemkroon: <1 meeldraden; e onrype, f rijpe doosvrucht,

b(j g in doorsnede; n zaaa.

Sluiten