Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren (anders dan te Amsterdam, waar b.v. een vroedschapslid niet gaarne meer aan actieven handel deed). In 't jaar 1784, in de dagen van Kaat Mossel, als op 's Prinsen verjaardag een troep matrozen de beurs binnendringt en met groot geschreeuw van „Oranje-boven" tusschen de verbaasde kooplui heenrent, dan is onze vriend daar aanwezig voor zijne zaken.

Zijne beschouwing van de groote gebeurtenissen om hem heen is trouwens zóó nuchter en practisch en berekenend, als men slechts van een koopman in merg en been kan verwachten. Hij aarzelt b.v. geen oogenblik, om de Engelschen gelijk te geven in hunne zelfzuchtige handelspolitiek tegenover de Amerikaansche koloniën. En hij zegt dat zoo brutaal, dat geen jingo van die dagen het hem zou verbeterd hebben. „Engeland had hare koloniën met onnoemelijke schatten aangelegd en bij dien aanleg bedongen(l), dat al hare producten naar Engeland moesten gebragt worden, hetgeen inderdaad een billijke voorwaarde was, dewijl Engeland zoovele kosten besteedde, om die koloniën in een bloeyenden staat te brengen, ten einde daardoor haren koophandel uit te breiden." En wanneer dan de Amerikaansche vrijheidsoorlog is uitgebroken, en Nederland daarin betrokken wordt en vervolgens in burgertwisten geraakt, dan zoekt onze schrijver de eenige oorzaak van alle ellende alweer in een kwestie van handelsbelang, in de bekende poging van Laurens, om met Amsterdam een voorloopig verdrag van koophandel te sluiten.

Sluiten