Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behouden en het begiftigd met vele schoone instellingen, kan bij onzen nuchteren schrijver geen anderen titel verwerven dan „een hoop schurken en kale fielten" !

Hieruit kan meteen al vrij duidelijk blijken, dat onze vriend geen man van de uiterste radicale richting is. Prinsgezind, zooals de van Hogendorpen en de van Staveren's en de Collot d'Escury's is hij echter ook niet. Reeds uit den aanhef van zijn mémoires zou men zoo zeggen, dat hij het Oranjehuis wel het leven gunt en zelfs op het stadhouderschap niet bepaald tegen heeft, maar dat hij toch ook kans zou zien, het zonder den Prins te stellen. Hij vertelt met zekere zelfvoldoening, dat hij, 14 jaar oud zijnde, nog gezien heeft, hoe Willem Karei Hendrik Friso (de latere Willem IV) hier kwam te Rotterdam en in het Zwijnshoofd (op de Groote Markt) logeerde, zonder dat iemand acht op hem sloeg.

Een woord van lof vindt men nergens, noch voor Willem IV, noch voor zijn opvolger. Aan het karakter van Willem V wordt een afzonderlijk hoofdstuk gewijd, dat lang niet vleiend is, en voor Willem IV wordt eenvoudig verwezen naar Wagenaar, die, gelijk bekend is, de Oranje's niet ophemelt.

Maar moge de schrijver dan voor den Prins niet blaken van geestdrift en liefde, van de Keezenpartij moet hij heelemaal niets hebben. Over de Patriotten kan hij geweldig uitvaren, bij elke voorkomende gelegenheid, niet, omdat ze het den Prins lastig maken, maar

Sluiten