Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel niet. — Hij geeft over dezen tijd niet anders dan een algemeen beeld in groote trekken, zonder over zijn eigen stad in 't bijzonder te handelen. „Diezelfde Prins van Friesland," zoo zegt hij, „aan wien vroeger niemand een blijk van toegenegenheid zou hebben durven geven, werd nu opeens in de wolken

t t qfli a>rnn TT f 10 \rr\r\f

iemand, die het niet beleefd heeft, al leest hij de geschriften van dien tijd, geen denkbeeld te maken van de blijdschap, de uitgelatenheid ja zelfs de dolzinnigheit, met welken deze aanstelling vergezeld ging."

In 't gedenkschrift wordt dan ook verder geen moeite gedaan, om die geestdrift te

schilderen. Integendeel, de schrijver kijkt dadelijk naar de schaduwzijden, naar den leugen, dien hij er in opmerkt. „De oude regenten," zegt hij, „vertoonden uiterlijk ook goede Prinslieden te wezen, maar die hen regt kenden, wisten wel beter. Ze loerden op de gelegenheid, om den Prins er in te laten loopen."

Hiermee is onze koopman weer aangeland in de belangenpolitiek en daar groeit hij in !... „De Prins,"

Sluiten