Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgescheiden in de Bagijnenstraat, „daar de Mercurius in den gevel stond," weer op de Beurs terugkwamen, als de „wettige, officieele societeit". Het optreden van baljuw en Committé van Waakzaamheid werd in alle opzichten goedgekeurd en de onderschouten en andere politiemannen, die van oranjegezindheid beschuldigd waren, werden allen gehandhaafd in hun betrekkingen.

Alleen één daad van Wethouders en Raden werd niet bekrachtigd door de commissarissen. Wethouders en Raden hadden gemeend, kapitein van der Hoeven en luitenant Chandon als officieren van de schutterij te moeten ontslaan, omdat ze te hard mee geijverd hadden met de „Volksvrienden— dit ontslag werd vernietigd, maar — de twee burgers werden toch voor onbe-

paalden tijd geschorst!

De reeds vroeger genoemde „Stads- en Dorpsbeschrijver" is dan ook lang niet ingenomen met dezen afloop. Van de pojitie zegt hij o. a.: „de commissie beweert, dat omtrent de onderschouten geen feiten zijn voorgebracht, die vallen onder de publicatie van 12 October '795 (tegen de voorstanders van Oranje). Jawel, ze zijn mogelijk geen plunderaars of moordenaars van Oranje, maar desniettemin kunnen zij de partij van dien booswicht ijverig genoeg toegedaan wezen en onwaardig zijn, de plaats van onderschout in zulk een aanzienlijke stad als Rotterdam te bekleeden."

Waar niet-Rotterdammers (van Ollefen en Bakker) zoo iets lieten drukken, kan men gemakkelijk nagaan, hoe de felle Rotterdamsche Jacobijnen zelf te moede

Sluiten