Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en rustigen arbeid, vooral nu de vrede in Europa eindelijk weergekeerd was; daarbij pasten de Jacobijnen van 1798 niet. Onze vriend, de schrijver, heeft dit natuurlijk van harte goedgekeurd, zoover hem dat nog mogelijk was, na al zijne droevige ondervindingen. Hij was zeker allerminst de man, om de „uitspattingen" van 1798 terug te wenschen; hij heeft daar weinig goeds in gezien, want hij had immers niets dan minachting voor al wat zweemde naar „Gelijkheid, Vrijheid en Broederschap", volgens „de bizarre theorieën van zekeren Rousseau." Hij heeft geen gevoel gehad voor de zegenrijke nieuwigheden, die dat jaar 1798 den volke getoond heeft, al was 't grootendeels nog maar in den spiegel der toekomst: eerst en vooral de o p e nb aar hei d der regeerings-lichamen, ook van den Raad van Rotterdam, verder de emancipatie der rechterlijke macht (een eerste voorwaarde voor ware vrijheid) en eindelijk de reeds genoemde centralisatie, onmisbaar voor de ware broederschap tusschen stads- en plattelandsbesturen, die voorheen zoo groote twistziekte getoond hadden.

Wij, die dit alles niet enkel gezien, maar ook geproefd hebben, wij kunnen het beter op prijs stellen; wij genieten met welgevallen van die drie schoone vruchten der Revolutie. Maar we mogen daarom onzen schrijver geen al te groot verwijt maken van zijne kortzichtigheid: hij was immers opgevoed in den koopmansgeest van 't 18<le-eeuwsche Rotterdam, die alles ging afmeten naar 't geld (gansch

Sluiten