Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

Hommeltrompetters.

Eenzaam hebben ze den winter doorgebracht, de koninginnen van het gezellige, drukke hommelhuis; alle werksters en alle mannen, die leven en beweging brachten, zijn gestorven toen de Novembervorsten kwamen. Zij alleen, de koninginnen, bleven over en verborgen zich diep in de losse aarde onder mos of bladeren, waar het warm en veilig was.

Even als de bijenkoningin, die eigenlijk bijenmoeder moest heeten, zijn zij alleen door de natuur belast met de zorg voor het voortbestaan van de soort. Maar onze groote hommelmoeders zijn er veel slechter aan toe. Zij hebben in 't vroege voorjaar geen helpsters meer, om cellen te bouwen als wiegen voor t jonge goed, of als honingpotten voor het voedsel van de toekomstige werksters. Zij moeten alles voorloopig zelf en alleen doen.

Het oude nest vindt ze niet meer geschikt; ze zoekt ergens in of boven den grond, al naar de soort en de gelegenheid een veilig plekje. Daar graaft en wroet ze net zoo lang tot het huis geriefelijk lijkt en dan aan 't honing eten, om kracht en stof te krijgen en aan het bouwen van de kinderwaskamertjes.

Zoo mooi en regelmatig in dubbele rij als de honingbij en het doen, kan onze hommelkoningin het niet; maar daar in de korf zijn er ook speciale werklui voor; de koningin behoeft er niet

Sluiten