Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloeikatjes, teer groen cantillewerk; wijnrood botten de bladeren. Lijsterbes met grijze dotten blad en bloem, berken met een damp van ijlheid; daartusschen, hard als prent, de groene meidoorn; toch niet leelijk van dichtbij, die boersche glimming; een enkel bloempje wil al geuren, de witte eerst,

Het mannetje, dat de weggezwommen jongen weer in het nest spuwt.

dan komen de roode meien; met karrevrachten gaan ze straks naar de groote steden.

Op den grond heerschen blauwe hondsdraf en purperen netels nu, en toeters waar de vogeltjes zoo graag in schuilen, met loof als varen, maar veel slapper, en een macht van witte parasolletjes er boven zwevend. Heel enkel hier en daar al een roode koekoeksbloem er tusschen, een gloeiend kooltje in 't duister van de blaren; of een witte schitterster van vogelmelk.

Sluiten