Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij antwoord toe: daar is mar een Ou vrou die ik bemin,

En jij is dit, mij liefste hart; So doet mar na jou sin.

Ik is een eerlik winkelier — Dit weet tog iedereen —

En mij ou vrind, die timmerman, Sal mij sij pêrd wel leen.

Seg Juffer Jurgens: dit is goed; Maar Serri-wijn is duur.

So neem ons mar een fles pontak, Die is tog nie so suur.

Jan Jurgens soen sij liewe vrou, Verblijd was hij vervas Te sien, al hou sij van plesier, Dat sij tog spaarsaam was.

Die dag was daar, die kar gereed, En alles in die hak.

— Met al die kinders binne in Was dit mar swaar gepak. —

Blij was sul', toe die pêrde trek En toe die wiele draai.

Dit gaat oek, dat die stof so staat, En dat die klippers waai.

Jan Jurgens staat daar bij sij pêrd. En grijp hem an sij maan;

Hij spring fluks op, mar klim weer af Om in die huis te gaan.

6

Sluiten