Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op hetzelfde tijdstip, dat de groote Hongaarsche schrijver Maurits Jokaï waarschuwt tegen den onrechtvaardig verkregen mammon, tegen den god: „Goud",... ligt van Mr. Paap een roman in twee deelen gereed, waaruit als opstijgen de woorden van Isaac da Costa: „Zij zullen ons niet hebben, de Goden dezer eeuw." Mr. Paap waarschuwt niet, hij laat zien. Doch in zijn proza, in den gang van zijn proza, ligt de waarschuwing; onder de koude woorden beeft de verontwaardiging, eene verontwaardiging, die stijgt en stijgt, en hem rhythmisch proza doet schrijven, dat eindigt in een zwaar neerdonderen.

(Het Nieuws van den Dag, 5 Oct. 1896.)

De heer W. A. Paap heeft... een nieuwen roman uitgegeven, „Jeanne Collette geheeten, die zeer de aandacht zal trekken. Niet omdat het, zooals sommigen beweren, een „roman a clef is. De heer Paap heeft gedeeltelijk een Amsterdamschen „roman de moeurs" uit onzen tijd willen schrijven en heeft daardoor, zooals meer gebeurt, enkele bekende personen, die het deel der maatschappij dat hij teekende bijzonder goed personifieerden, niet kunnen vergeten.

Dit is sommigen misschien opgevallen, maar langer dan een paar hoofdstukken denkt men daaraan niet. Dan houdt de roman ons te veel bezig; dan bot it de schildering van den hoofdpersoon, een Joodsch bankier, ons geheel om zichzelf. De schrijver heeft Collette verbazend goed, met kleine trekjes in elkaar gezet, maar hem ons nog beter laten kennen uit zijn wijze van optreden in allerlei omstandigheden gedurende den loop van het verhaal.

(Het Algem. Handelsblad, 25 Nov. 1896.)

Sluiten