Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor haar te zullen zorgen, en ridderlijk als hij was, daagde hij R. schriftelijk uit. Te vergeefs echter. — Nu bracht hij haar naar Den Haag; Mimi en ik zouden, met zijn geldelijke hulp, verder voor haar zorgen.

Een paar hem bekende dames uit het Willemspark bezochten haar ook eens, om hem genoegen te doen, maar brachten in plaats van milde hulp en troost, zedelessen mee; waarom Dekker haar een bitterboozen brief heeft geschreven.

Als „Mina" deze regelen leest — schreef ik in de „Multatuli-icesperi' — zullen de tranen in haar oogen komen, nu „m'neer Dekker" niet meer is. Ik heb ze ook met een vol gemoed geschreven. Nietwaar, Mina, gij o.a. hebt hem van zijn zeer liefelijke zijde leeren kennen. En dat hij zoo kon zijn, mogen we nooit, nooit vergeten. Want nooit misschien stond hij hooger, dan wanneer hij zoo onbaatzuchtig, zichzelf vergetend, afdaalde tot de armen van geld en geest.

Dan stond zijn „ikheid" hem niet in den weg.

Wat dat fiere, hoogmoedige ik betreft: //Als kind reeds was hij zoo", zei of schreef eens Mej. Cateau Haverkamp te Amsterdam aan een mij bekende dame. „Toen ik op een kinderpartij met hém, en daarna met een ander jongetje gedanst had, heeft hij mij, verontwaardigd, nooit meer aangezien". — (Toen ik hem die episode uit zijn jeugd vertelde, liet hij haar hartelijk groeten)

In dien zin liet ook zijn vroegere onderwijzer van 't haagsche ,/Kleine Loo" zich uit, zeggende dat het hem eigenlijk niet verwonderde, dat uit den jongen D. D. Midtatidi gegroeid was.

Ook daaruit ziet men, dat niet juist zijn ontslag de richting heeft gegeven aan zijn leven, doch veeleer hij de richting aan zijn ontslag.

Sluiten