Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer verstand van spoorwegen had toen H. nog in de wieg lag, en de twist liep zoo hoog, dat die twee handgemeen werden. Dekker had namelijk zijn brandende sigaar tegen II.'s gezicht gedrukt, en deze smeet hem nu, onder den uitroep „Gemeene kerel \" de deur uit.

Ik weet dit zoo goed, omdat ikzelf hij ongeluk ook een duw kreeg, daar D. mij juist thuis zou brengen. Onderweg sprak hij geen woord, maar hijgde nog van 't gebeurde.

Toch werden ze weer goed, al hield H., die eerst met Dekker wegliep, hem later, bij nadere kennismaking, voor een dwaas.

D. zou, daar logeerend, „voor den werkman" schrijven, en H. betaalde hem wel vooruit; maar er kwam weinigvan; liever maakte hij Mevr. H. en haar zuster het hof. Doch „Truida" had haar eigen liefdes — waarop D. vroeger en later veel had aan te merken; wat stellig verkeerd van hem was, daar hij zichzelf zooveel veroorloofde, en men niet met twee maten moet meten of zeggen: „Ja, zie je boer, dat is wat anders! „Quod livet Jovi, Non Vicet bovil"

Op een vischpartij met H. sprong hij eensklaps van de schuit in het water en dook onder, natuurlijk tot verrassing en ontsteltenis van 't gezelschap. Waarop zijn kleeren en laarzen bij een boer moesten worden gedroogd.

H. was het ook, die Eduard (junior) geld gaf voor de reis, toen Everdine om redenen met haar kinderen naar Italië terug wilde, om, helaas, nooit tot haar mau weer te keeren!

Toen H. overleden was en Dekker naar Holland, om bij de begrafenis te zijn van den man, aan wien hij, aprèz tout, veel verplicht was, kwam hij zonder eenig beicij's op de gedachte, dat mevr. H. haar man vergiftigd had, en gaf die suspicie mij te Wiesbaden te kennen.

Sluiten