Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien. In hem reeds bekende woningen etc. kon hij (lot in 't komieke toe) slecht den weg vinden, zich maar niet orienteeren; geen boek las hij zonder onder 't lezen, met een van zijn nagels gaatjes in de bladzijden te krabben — kleinigheden, maar toch blijken van iels zenuwachtigs en abnormaals in den geest. Ook, dat hij het eene oogenblik overdreven vriendelijk, uiterst beminnelijk, het volgende eensklaps uiterst ónbeminnelijk kon zijn, brusqueerde, gejaagd heen en weer liep, enz.

Ook het asthma, waaraan hij is bezweken, kan (al wil ik 't niet beweren) een gevolg van den staat zijner zenuwen zijn geweest; — 'n 25 jaar voor zijn dood reeds placht hij zóo diep te zuchten alsof hij dan den adem kwijt was.

Dit kan ook, gecompliceerd als hij was, deels gemeend deels gemaakt zijn geweest. Wel wat theatraal sloeg hij daarbij zijn oogen naar 't plafond, uitroepend: „O god!"

Een overgevoeligheid van hem was, dat, zag hij vomeeren, hij óok moest. Tableau!" Ik deel dit echter niet als klucht, maar ter kenschetsing mede.

Dekker was „moe", en toch kon die moede man vermoeiender dan iemand zijn. Ook wel een blijk van abnormale overspanning.

De toestand van irritatie (prikkeling, verbittering) en exaltatie, waarin hij intermitteerend, maar toch dagelijks min-of-meer verkeerde, grensde soms aan het waanzinnige of overschreed eventueel die grens.

Zijn omgeving had dan ook genoeg te verduren nu-en-dan, wilde zij niet met hem breken, — al was hij op zijn ouden dag kalmer, handelbaarder geworden, minder excentriek, ook minder edelmoedig wellicht, gewoner kortom. De spitsen, hoeken en kanten waren er wat af.

Sluiten