Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij schreef me voorts, hem Dek, Max ot Eduard te noemen. Daar ik „Dek" zoo leelijk vond en Eduard mooi, schreef ik „Lieve Eduard", en noemde hem zoo.

En hij placht zoo te onderteekenen. Later ook weieens: „Je vriendje Dek." Later nog: „Je oude vriend Dek", ot

„Dek".

Wij noemden hem toen wel „ouwetje."

Op dien eersten brief volgden allengs 'n paar honderd

brieven, vol wijsheid en dwaasheid.

Op een goeden dag van het jaar 18<>;> of '66 — toen zijn karakter mij te kameleon-achtig was voorgekomen, en tevens om iemand genoegen te doen, die later bleek slechter te zijn dan hij - verscheurde ik die alle, te gelijk met zijn groote photographie, die hij me in '64 zond, en waaronder hij had geschreven: „O, als men wist, hoeveel dingen ik voor heilig houd!" - Ook de Don Quixote met een in fraai Fransch door Dekker voor mij geschreven heerlijke inleiding, is — jammer genoeg! — dat noodlot met^ontgaan. Dit spijt me des te meer, daar ik me er woordelijk niets meer van kan herinneren, dan de enkele woorden: „ton franc éclat de rire." (Mej. K. vond dat „veel te mom voor mij.) 't Is fataal! Wel herinner ik me er uit, dat Don Quixote tevreden over mij had kunnen zijn. Dit troost me wat.

De eerste ontmoeting.

Hij zou „een reistaschje om" hebben en „een zakdoek in de hand."

Uit Amsterdam kwam hij naar Den Haag om mij, en kuste me aan 't station. Ja, hij was „zeer gefatigeerd, bleek, met omkringde oogen, maar vlug in bewegingen. Hij zag er zoowat uit als een oud student. - We wandelden

Sluiten