Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beter bewust is dan vroeger wel het geval was, en wij doof en blind hadden moeten zijn in deze laatste jaren om het niet te weten, nu is het geen tijd om het nieuw verbond van Vorst en Volk, zooals men pleegt te zeggen, te vieren met het bouwen van een Gouden Koets.

De tegenstellingen zijn sterk genoeg; ze te verscherpen is een spotten met de wijsheid, zooals het voertuig zelf zal spotten met den goeden smaak.

En het Nederlandsch koningschap verdraagt zich niet met een Gouden Koets. Het is het koningschap van een geslacht dat, behalve korten tijd onder den terugslag der Revolutie, nooit groote macht over het volk heeft gekend, eene instelling geoctroyeerd door de burgerij met al de beperkingen die de burgerij haar wilde opleggen. Men kan de instelling eeren, liefhebben, al wat men wil, maar haar niet in beteekenis vergrooten buiten de wettelijke omschrijving. Een zoo beperkte macht is onevenredig aan den onbeperkten praal waarvan een Gouden Koets de vertooning is. Ons koningschap is een burgerlijk instituut, iets, maar weinig, meer dan het ornament waarvan Van Houten schreef.

Zoo de burgerij het wil verheffen tot beschermer van de maatschappelijke instelling en het in goud wil hullen als in de macht die sterker is dan alle koningen en waarin het voor vorsten goed verwijlen is, zij moge het doen, maar zij bedenke dat zij dan het koningschap nog verder verwijdert van het volk en doet naderen tot het goud en die het bezitten.

„Vereeniging van het Amsterdamsche volk" — die naam is eene onwaarheid. Het Amsterdamsche volk denkt niet aan zulk een huldebetoon. En het bestuur, de mannen uit de volksbuurten, schelt nu al bij de gegoeden aan en vraagt hun minstens vijf gulden. Dezen zullen dan donateurs heeten. Een goed deel van het Amsterdamsche volk zal versieren en juichen, en dat is een echter feestbetoon dan kwartjes en rijksdaalders voor eene anachronistische Koets. En wie, het koningschap met koelen zin beziende, niet tot juichen komt,

Sluiten