Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen. Men buigt niet de knie als men de toepassing vraagt van een wettelijk geregeld middel van het recht. Maar het was niet noodig die aanvrage te doen, omdat in dit geruchtmakend geval de aandacht der regeering genoegzaam op de zaak was getrokken, zooals uit de mondelinge mededeeling van den minister ook aan mr. Troelstra was gebleken. Onder deze omstandigheden was het volkomen correct dat hij, zich van geen enkele kwade bedoeling bewust, omdat zoowel het doel als de uitwerking van zijne daad openlijk waren gebleken, de gratie niet aanvroeg, maar de beslissing overliet aan de regeering, zelf bereid om de gevolgen van zijne daad in de door het recht van deze tijden gewilde mate te dragen. Zoo al zijn waardigheid niets zou hebben ingeboet met het inroepen van het laatste rechtsmiddel, de overweging dat de regeering, dat is de minister van justitie die over het geval reeds een opinie had, kon weten wat plicht haar gebood, moest in dit zeer bijzondere geval den doorslag geven. Immers, neemt men aan dat een aanvraag van den veroordeelde de regeering williger zou stemmen, dan ware in de gratie iets gekomen van het karaker eener gunst, dat haar juist vreemd moest blijven, en deze veroordeelde vooral kon niet geneigd zijn iets anders te aanvaarden dan recht.

Maar het geval bleef niet zoo zuiver staan. De vader van mr. Troelstra vroeg gratie. De regeering is dus ontkomen aan de beslissing of zij het initiatief moest nemen.

De gratie is geen gunst. De meest bevoegde uitlegger van ons staatsrecht, de hoogleeraar Buys, schreef: „dat het doel van de gratie niet kan zijn genade ' oewijzen of gunsten te verleenen, maar recht te doen. De gratie is een rechtsinstituut bestemd om daar waar de strenge toepassing van de wet,

welke niet alle bijzondere gevallen kan voorzien, tot het plegen

van onrecht zoude leiden, dit te voorkomen, en dus daarvoor te waken dat het hoofddoel van de staatsgemeenschap, de waarborging van het recht aan de leden dier gemeenschap toekomende, bereikt worde".*) En zeer zeker kan dit niet *) Buys, de Grondwet. I, p. 275.

9

Sluiten